Meditatie

Meditatie Januari 2018

Harry de Raaf

 

We zijn weer begonnen met een nieuw jaar, 2018. En mijn vader had altijd de gewoonte om op nieuwjaarsdag de psalm te lezen met het getal van het jaar. Een goede gewoonte om na te volgen. Dat zou dus voor dit jaar inhouden Psalm 18, en deze Psalm begint met de volgende woorden:

1Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei: Ik heb u lief, HEER, mijn sterkte, 3HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.

Wat een prachtig begin !! David spreek in deze woorden zijn innige liefde uit voor God. De God waarop hij bouwt, de God die hem bij staat en helpt. God is zijn sterkte, zijn rots, zijn vesting, zijn bevrijder. En dat wil God voor een ieder van ons zijn, niemand uitgezonderd. Wat is dat toch geweldig mooi. Laten we met deze zekerheid 2018 in gaan. Met de zekerheid dat de God van David ook onze God is, ook onze sterkte, rots, vesting, bevrijder.

 

Harry de Raaf,

voorganger Vrije Zendings gemeente ‘Beth-el’ Steenwijk

December 2017

Uitzien naar en wachten op God (Micha 7:7).

 

Je kunt uitzien  naar een bezoek of naar de komst van de bestelling die je hebt gedaan. Kinderen kunnen uitzien  naar een schoolreis­je of hun verjaardag.

In Micha 7:7 lezen dat de profeet Micha uit blijft zien naar de Here. Dat doet hij in een tijd, waarin het bepaald niet rooskleurig is.

Mensen staan elkaar naar het leven. Er is geen eerlijke rechtspraak meer. De harmonie in de gezinnen staat onder druk.

Micha heeft het er moeilijk mee. Maar hij blijft op God zien: Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER. De Heer is de God die verlost.

Hoewel er in onze tijd en samenleving gelukkig veel goeds is, is er ook veel wat niet goed is. In de wereld is terreur, geweld, onrecht en corruptie. Maar ook nu is er een houding, waarmee je het vol kunt houden,  namelijk: uitzien naar en hopen op God.

Hij zal iedereen die het van Hem blijft verwachten verlos­sen, als Jezus terugkomt. Dan zal er ook een nieuwe aarde komen. Het kwaad zal niet altijd op deze aarde blijven.

December is in de kerk de tijd van advent. Adventstijd is ook uitzien naar en hopen op God. Niet moedeloos, maar met opgeheven hoofd en hart. Want God zal doen, wat Hij heeft beloofd.

 

Ds. K. Jonkman.

 

 

Meditatie november 2017

Laten we (….) een dankoffer brengen aan God (Hebr. 13:15)

 

De eerste dag van deze maand was het Dankdag voor gewas en arbeid.

In veel kerken werd een dienst gehouden.

Een speciaal moment om Vader te danken voor alles wat Hij ons gaf.

Een dankoffer:

Dankliederen;

Dankgebeden;

Een dankbare gift in de collecte.

Een huldebetoon van lippen (en handen) die Gods naam prijzen.

Maar Vaders gaven gaan verder en dieper dan de opbrengst van akkers en het geld op je bankrekening.

Zijn grootste en mooiste gave is zijn Zoon.

In Hem kregen we onze Redder.

Dankzij Hem mogen we God Vader noemen.

Dat is elke dag een dankoffer waard.

Een ononderbroken huldebetoon van onze lippen.

Vergeet daarom geen dag om God te danken voor zijn gaven.

Immers alles wat je hebt gekregen -al is het voor jouw gevoel misschien niet echt veel- is genade.

God laat ons in de Bijbel weten dat Hij er van geniet, als ons dankoffer zich door vertaalt in de manier waarop we met onze naaste omgaan.

In dan met name in liefdadigheid en onderlinge solidariteit.

Anders gezegd: in delen en in gemeenschapszin.

Twee dingen waar zoveel mensen in onze samenleving naar smachten.

Laat je medemens maar merken dat hij/zij er bij hoort.

Ook als die ander anders is.

En laat de ander maar delen in wat jij hebt te bieden:

Een beetje aandacht;

Een vriendelijke blik of knik.

Zoals Boaz dat ooit deed bij Ruth (Ruth 2:2-9)

Dan is het feest.

Voor je naaste.

En voor God.

 

ds H. Offereins

predikant Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt

 

Meditatie oktober 2017

Ds G. van den Dool

Bidden met open ogen

enkele opmerkingen bij het Onze Vader

 

In zijn Bergrede (Mattheüs 5 t/m 7) geeft Jezus ons het Onze Vader. Dit gebed maakt deel uit van het onderwijs dat Hij ‘op de Berg’ geeft aan zijn leerlingen. Aan de ene kant legt Jezus de nadruk op het persoonlijke in de omgang met God. Als je bidt moet je er niet een publieke show van maken, zoals sommige vromen geneigd zijn te doen. Daarmee kun je publieke waardering oogsten, zegt Hij:- ‘zij hebben hun loon reeds’ (Matth. 6:5) – maar God heeft er niets mee en kan er niets mee. Daartegenover roept Jezus ons op om niet door de mensen gezien te willen worden, maar God in het verborgene te zoeken, ‘in de binnenkamer’.

Nu vind ik het zo verrassend dat Jezus ons het Onze Vader geeft als model voor persoonlijk gebed (de binnenkamer). Maar dat Hij ons daarin laat zeggen: ónze Vader… óns dagelijks brood….vergeef óns…..leid óns niet in verzoeking…… Juist waar wij als individu God zoeken, leert Jezus ons telkens  weer zeggen: wij, ons. Dus: met open ogen naar de mensen en de wereld om ons heen. Zelfs in de meest ‘persoonlijke relatie met God’ maak ik deel uit van een gemeenschap. Die neem ik mee als ik bij God kom: de mensen om me heen, de gemeente, de samenleving, de wereld.

God is dus nooit een privé-God. Ten overstaan van Hem ben ik nooit alleen maar een individu, maar altijd broer, zus, medemens van en voor anderen. Vanuit de ‘binnenkamer’ word ik weer aan hen teruggegeven.

In de woorden ‘Uw Koninkrijk kome’ ontsluit het Onze Vader telkens weer de wereld voor ons als Góds wereld. Als dat zo is, zijn we nooit zonder hoop, want nooit zonder belofte. We mogen vertrouwen dat God ons in het verborgene ziet en op zijn manier ons wel zal laten merken dat bidden ‘loont’. Wel blijft het zaak dat we ons daarvoor open stellen. Ik zie op naar God, in het vertrouwen dat Hij naar mij, en dus evenzeer naar de mensen om mij heen, zal omzien. Ook via mij!

‘Onze Vader’ zeggen is zo telkens weer: bidden met open ogen!

 

Gerrit van den Dool, emeritus-predikant,  Prot. Gemeente Willemsoord-Peperga/Blesdijke

 

P.S. De titel is ontleend aan het boekje van ds. W.R. van der Zee ‘Bidden met open ogen’

 

Meditatie september 2017

DE GELIJKENIS VAN DE ZAAIER

 

(Matteüs 13: 1-9 en 18-23)

 

Jezus is de zaaier in naam van God. En Jezus zaait het zaad van heil. Van Gods Woord, van Gods Koninkrijk. Jezus zaait de kiemen van liefde en gerechtigheid.

We kunnen dit verhaal ook noemen: de gelijkenis van de vier soorten grond. Bodemtypes. Wij mensen. God zaait liefde en gerechtigheid op ons mensen, in de wereld. Wij mensen zijn de grond.

Niet overal ontkiemt het zaad. Er zijn mensen die de woorden van Gods Koninkrijk niet tot zich nemen. Er aan voorbij leven. Er zijn mensen die het Evangelie blij ontvangen. Maar als de verleidingen in de wereld groot worden, krijgen de dingen van Gods Koninkrijk geen kans om wortel te schieten. De derde bodem is vol met distels. De symboliek van alles wat het zaad van God overwoekert. Het leven vraagt en biedt zoveel andere, leuke, dingen.

En dan de vierde grondsoort. De goede grond. De mensen van de goede grond staan met geloof en vertrouwen in het leven, dat er een God is, die met je meegaat in jouw leven. De mens die weet heeft van troost bij verdriet. Die weet heeft van eeuwig leven, als de dood dichtbij komt.

De zaaier. Zie hoe hij zaait. Met brede gebaren. Gul en overvloedig. Het zaailaken vol met het zaad van liefde, vrede, toekomst. Hij strooit net zoveel op de weg, op de rotsen,  tussen de distels, als op de goede grond. Juist daar strooit hij op de wegen, waar het leven mensen verhard heeft. Juist daar strooit hij, waar de grond ondiep is, waar mensen de broosheid van het leven ervaren. Juist daar strooit hij, waar de distels van onrecht en geweld krachtig blijken.

De gulheid van de zaaier, voor alle vier grondsoorten, toont de liefde van God voor ons allemaal.

Ds. Bob Haanstra

 

 Meditatie Juli en Augustus 2017

Barmhartigheid bij een Samaritaan onderweg

(Lucas10:25-37)

Er staat een man in het grote publiek dat om Jezus heen staat. Hij komt naar voren en stelt een vraag, één vraag maar, meer niet: ‘Meester, wat moet ik doen om eeuwig te leven te verwerven?’ Zijn naam staat er niet bij: ‘een zekere wetgeleerde’. Een man dus voor wie de Thora nauwelijks nog geheimen heeft. Die waarschijnlijk van mening is dat Jezus datzelfde boek van Mozes met de voeten treedt, nu heeft hij iets bedacht om Jezus op de proef te stellen: ‘Meester, zeg het mij dan, wat moet ik doen? U kent de Thora toch ook, maar hoe leest U die dan? Jawel, zegt Jezus dan: ‘God liefhebben en uw naaste als uzelf!’

Er was een zekere wetgeleerde bij Jezus gekomen, en Jezus zal verwacht hebben dat de beschouwing deze man wijzer had gemaakt.

Een zeker man lag langs de weg: En je hoort Jezus denken, wat zou het veel waard zijn als deze man, deze wetgeleerde, in de gewonde man zijn naaste zou herkennen, dat hij zich zou kunnen verplaatsen in deze mishandelde mens. Er is een man die van Jeruzalem naar Jericho loopt. Jezus ging in feite de andere kant op. Het was de laatste etappe van hem naar Jeruzalem, het is dus alsof hijzelf een gewonde man tegenkomt, zomaar onderweg. Een reiziger was ook op die weg geweest, belaagd door hen voor wie een mensenleven niet veel waarde heeft. Meer dood dan levend lieten ze hem achter. Zijn bezittingen weg, financieel uitgekleed, wie weet ook letterlijk, want alles was geld waard, alleen die mens zelf niet, die mocht als oud vuil langs de weg blijven liggen als een prooi voor roofdieren.

Maar toevallig daalde een priester langs diezelfde weg af Hij was in Jeruzalem geweest, daar had hij God gediend. Wat een geluk dat hij nu juist langs die weg kwam, de gewonde had het niet beter kunnen treffen, de noodlijdende had niet kunnen denken zo snel hulp te krijgen. En de priester had niet kunnen vermoeden, dat hij zo snel na het dienen van God zich kon gaan wijden aan zijn taak voor de naaste. Wat een gelukkig toeval, dat zo kort na het eerste gebod, om God te dienen, al zo snel het tweede gebod in werking kon gaan. De priester kan het leven van de gewonde redden en zelf eeuwig leven beërven. Maar met een grote boog liep hij er omheen.

Ook een Leviet kwam er langs, een Leviet was in die tijd de knecht van een priester, een Leviet moest in de tempel achter de priester aanlopen, waar de priester ging, daar was de Leviet. Hij liep altijd geestelijk en ook letterlijk in de schaduw van de priester  Hij volgde de priester in de afdaling van Jeruzalem naar Jericho. In het voorbijgaan zag hij de bloedende man en ging er eveneens aan voorbij. Wat is dat voor Godsdienstigheid, die de leer in ere houdt en mensen vervolgens laat creperen?

En dan een Samaritaan, die niet afdaalde naar Jericho, hij was gewoon op reis. Hij had in Jeruzalem niks te zoeken. Samaritanen hadden hun eigen heilige plaatsen en gingen niet naar de tempel in Jeruzalem. Dat was de Joden een doorn in het oog. Ze vonden het een volk van bastaards. De Samaritaan ziet het probleem en handelt.

In de omgeving van een parochie in de Achterhoek waar ik jaren heb gewerkt sprak ik eens met een oude boer. In de oorlog had hij een Engelse parachutist op zijn land liggen, de man had zijn been gebroken en was gewond. De boer was er heel eerlijk in: Het kwam het mij helemaal niet goed uit, dat die Engelsman daar lag. Maar toen ik hem zag liggen dacht ik bij mijzelf: ‘Nauw ja, God zal er een bedoeling mee hebben, toen zei ik tegen mijzelf: die man ligt er voor mij, ik moet er wat aan doen? Ik mag zijn leven blijkbaar redden!’

En de man langs de weg, lag er blijkbaar voor de Samaritaan. Door de Samaritaan ging ontroering, hij was erdoor geraakt.

En de wetgeleerde had nog zo gevraagd: Wie is mijn naaste?’ Maar jij bent zelf in feite de naaste van die ander. De priester toonde zich niet ‘de naaste’ van de gewonde en de Leviet toonde zich niet de ‘naaste’ van de ander. 

Wie is de naaste van die man?, vroeg Jezus aan de wetgeleerde. Hij kon het woord Samaritaan niet over de lippen krijgen. Hij kreeg het niet voor elkaar om te zeggen: ‘Die Samaritaan natuurlijk!’ Het is een naam die hem waarschijnlijk met afschuw heeft vervuld. En hij sprak: ‘Hij die hem barmhartigheid betoond heeft!’ Maar verhaal is nog niet uit want de priester had een volgeling. De priester ging voorbij en de Leviet evenzo.

De Samaritaan, heeft die dan ook geen volgeling, of toch wel?

En Jezus sprak: ‘Ga heen, en doet gij evenzo!’

Het is een lieve gedachte voor hen die tijdens hun vakantie bereid zijn om anderen bij te staan, over de grenzen van geloof, cultuur en veel meer heen.

Theo L.M.M. van der Sman

Emiritus Pastoor

——————————————————–

Mediatie Juni 2017

YALLA

Kom op!

Pinksteren… Wat is dat toch voor feest, dat ooit begonnen is met een groepje mensen dat voor niemand verstaanbare wartaal uitkraamde? Sommige mensen die het hoorden dachten zelfs dat deze mensen dronken waren! Voor ons, nu, roept het herkenning op met de Pinksterkerk. Wordt daar dat onverstaanbare ‘spreken in tongen’ of ‘glossolalie’ nog steeds beoefend?

De boodschap is een beetje dubbel: De mensen in Jeruzalem – een internationaal gezelschap – hoorden hen allen in hun eigen taal spreken van Gods grote daden, en toch dachten sommigen dat ze dronken waren. Waren ze nu duidelijk voor iedereen verstaanbaar of leek het toch meer op dronkenmansgelal?

Wij waarderen het als er in de kerken en op de scholen helder en éénduidig gepreekt en gesproken wordt. Ook de apostel Paulus erkende de waarde van het spreken in tongen, maar eiste daarbij wel dat er ook iemand bij was die de tongentaal verstond en kon uitleggen. Net zoals Petrus dat in Jeruzalem deed in Handelingen 2. Uiteindelijk wordt het samenhangende verhaal hoger aangeslagen dan het spreken in tongen.

Misschien is het zo, dat daar in Jeruzalem, een nieuwe taal werd uitgevonden! Ook wij kennen dat. Eens in de zoveel tijd staat er een dichter op, die door middel van poëzie (in de popmuziek) de taal zodanig oprekt dat ze met bestaande, verstaanbare woorden ineens in een hele andere dimensie kan openen! Daarnaast klinken ook de – onverstaanbare – “ad-libs”. Taal die een andere snaar raakt en een nieuwe wereld laat zien. Zo was de taal van de apostelen ook bedoeld: de taal van Gods Koninkrijk is nu eenmaal niet van deze wereld. Net zoals geloof niet te vatten is in psychologische, sociologische, filosofische of wat voor wetenschappelijke taal dan ook. Het is een andere manier van zijn, in een dimensie die niet van deze wereld is, maar toch ons bestaan daarmee kan verbinden.

Laatst was ik op de “Sectordag” in Amersfoort een feest voor PC-GVO, HVO, IVO en RKVO docenten. Zeg maar de godsdienstleraren in het openbare basisonderwijs. Zij komen in contact met de volle breedte van de samenleving. Blanke kinderen, maar ook zwarte, Aziatische en Arabische. Oost en West, Noord en Zuid komen in onze basisscholen samen. Op deze sectordag sprak ik een lerares die een mooi verbindend woord had geleerd bij een studiereis door Israël: Yalla! Het betekent in alle Arabische talen, én in het Hebreeuws, het zelfde: “Kom op! Let’s go!” Het drukt enthousiasme uit en spoort mensen aan samen op te trekken. Zo kan een onbekend woord alleen al door de klank activeren en verbinden!

Met Pinksteren moet dit ook gebeuren! Laten wij dan ook deze Pinksterdagen eens luid Yalla! roepen. En kijken wat er dan gebeurt…

ds Matthijs de Vries

predikant Doopsgezinde Gemeente

Hemelvaart en Pinksteren

Op Hemelvaartsdag is heel Nederland vrij. Veel mensen plakken de vrijdag erbij aan, om zo van een lang weekeinde te kunnen genieten. Veelal trekt men er op uit en wordt er ergens een tent of caravan opgeslagen. Een beetje bevreemdende ervaring als je bedenkt dat de meesten van hen in het geheel niet zullen stilstaan bij de betekenis van wat er op die dag gevierd wordt.

Indien het gaat over iemand die ten hemel wordt opgenomen, zullen velen in onze tijd wellicht associaties hebben met UFO’s, of andere fantasieën. Hetgeen we op die dag als christengelovigen vieren is voor de meeste mensen in onze tijd letterlijk iets van een andere wereld geworden.

Met Hemelvaart horen we vanuit de heilige Schrift dat de leerlingen van Jezus een beetje verdwaasd naar de hemel staren. Hij is opgestegen. Waar is Ie nu precies heen gegaan? Naar de hemel. Maar wat kunnen we ons daar nu bij voorstellen? Een toekomstperspectief; een plaats of een toestand waar wij ook eens heen zullen gaan. Dat geloven wij als christenen. Het is voor ons, als gelovigen, al best ingewikkeld om ons hier een voorstelling bij te maken; laat staan voor niet-gelovigen.

Toch raakt het aan één van de diepste waarheden van ons geloof. Namelijk de hoop die wij hebben dat er na dit aardse bestaan nog iets komt. En niet zomaar iets, nee; dan zullen we ten vólle leven!

Hemelvaart attendeert ons er op dat ons geloof gebaseerd is op de blijde boodschap dat het uiteindelijk goed gaat komen; definitief en volkomen.

Toch is dit niet iets wat alleen maar een vaag beeld van een (verre) toekomst is die nog in het verschiet ligt. Als de Heer spreekt over zijn koninkrijk dan heeft Ie ook gezegd: “ja, het is er al”.

En dat heeft met Pinksteren te maken; de komst van de heilige Geest. Indien wij aanspraak willen maken op de hemelse heerlijkheid, dan zullen we er in het hier en nu al een basis voor dienen te leggen. Als we willen aansluiten bij het goddelijke leven in het hiernamaals, dan zullen we nu reeds dienen aan te sluiten met hoe het er daar aan toe gaat.

En hoe het er daar aan toe gaat, dat heeft onze Heer Jezus Christus laten zien, toen Hij onder ons op aarde vertoefde.

Hemelvaart en Pinksteren vallen in de mooiste tijd van het jaar: het frisse groen, de voorjaarsbloemen en het fluitenkruid langs de weg. De natuur herinnert ons er aan hoe mooi het leven is en dat het zich steeds weer vernieuwt. Dat dit ons ontvankelijk mag maken voor de heilige Geest, en dat die ons leven met een nieuw gelovig elan mag bekleden.

Jaap Scholten

pastor H. Christoffel Parochie

_________________________________________________________________

Meditatie maart  2017

HET LIED VAN ZIJN HART

 Ik zal hooguit vijftien zijn geweest! Misschien veertien? Het Paasfeest straalde ondefinieerbaar blijdschap uit. Gisteren, op de eerste Paasdag was de hemel strakblauw. Gele boterbloemen bevolkten de slootranden in onze polder. De kieviten waren nog aan het broeden en de grutto’s duikelden duizelingwekkend snel door de lucht. Ieder grassprietje, elke kluit aarde, elke bloemknop verkondigde:

Nieuw leven, opstanding, Pasen!

Hoe kon een mens niet geloven? Wat mooi, wat blij. Soms barste je bijna van blijdschap. Opstanding. Leven, altijd leven, nu en later. Onbegrensde mogelijkheid. En nu, vandaag op Paasmaandag, zat ik op de galerij van onze kleine  ‘boerengeloofsgemeenschap’. Ze noemen het geen kerkdienst, de gelovigen hier, maar Samenkomst. Beneden zag ik onze gemeenteleden. Boeren, middenstanders, bouwvakkers, enkele aannemers en een veearts. Ouderen, jonge gezinnen en veel kinderen. Vanaf de galerij keek ik naar hen.

Evangelische christenen, pinkstermensen, fundamentalistisch ingestelde mensen, die er best wel zwaar aan tilden en wat meer vrijzinnige gelovigen. Voorstanders van de volwassendoop en overtuigde kinderdoper. Het kon allemaal vreedzaam naast- en met elkaar bestaan in het kleine kerkje in ons dorp.

Ach, ik wist toen nog niet hoe dat allemaal heette, maar ik voelde de liefde en de geborgenheid. Ik zag beneden de witte, gele en rode strikken in de haren van de kleine meisjes en de fleurige jurkjes van de bakvissen. Wanneer ik mij hoofd een kwartslag draaide, keek ik door het galerijraam de polder in.

Ook nu weer straalde helder licht over de gouden weilanden. Het leek bijna full technicolor. Een vogel scheerde langs de zon. Was het een duif?

Vandaag op tweede paasdag werd de samenkomst traditiegetrouw verzorgd door het Leger des Heils, Er werd veel en mooi gezongen. Soms bliezen de koperen blaasinstrumenten de tonen hoog de hemel in. En toen volgde het getuigenis van soldaat van Dijk. Want preken deden ze niet zoveel bij het Leger. Soldaat van Dijk was klein, grijs en mank. Leek hij op Jacob, met zijn weelderige grijze haardos? Hij bleef niet staan – wij kenden geen preekstoel – maar liep het podium over, mank en wel.

Wat hij zei weet ik niet precies meer. Maar het ging over ‘die Ene’ ! En toen zong hij het lied dat ik nooit zal vergeten. En ik zág, ik hóórde en ik vóélde dat het waar was. Dat ene lied, het lied van zijn hart.

“Jezus, Jezus

’t Schoonste van al is Jezus

Zorgend voor mij

Altijd nabij

’t Schoonste van al

Is Jezus voor mij”

Dat lied landde ook in mijn hart. Zo’n vijftig jaar geleden.  Nu, zoveel jaren later, is het binnenkort opnieuw voorjaar. Een nieuwe lente, de winter is voorbij. Aan het einde van de lijdenstijd staat Goede Vrijdag. Jezus stierf voor onze zonden. En God wekte hem na drie dagen op uit de dood. Wanneer een mens zich veilig en geborgen voelt kan één lied, ja één enkel woord genoeg zijn. Straks, vieren wij opnieuw het Paasfeest. 

En we weten; De Heer is opgestaan – ja,  Hij is waarlijk opgestaan.

 

Hans Dickhof

Vrije Zendingsgemeente Beth -El

 

In januari 2018: Gebedsdienst voor de eenheid.
Zie activiteiten