Meditatie Juli 2018

God spreekt tot zijn kinderen.

Toen ik nog pastoor was in Twente was, zag ik op het heideveld bij Hezingen een herder met een stuk of honderd schapen. Ik sprak de man aan, voordat hij antwoord gaf haalde hij de teleurstellend genoeg de pluggen van zijn walkman uit de oren om mij te woord te staan.

Aan zijn leren riem hing een mobieltje, om in die tijd waarschijnlijk te laten zien;

Kijk, ik heb ook zo’n ding want: je weet immers maar nooit!

En als de herder ‘s avonds aftaaide dan haalde hij zijn auto eerst uit de schaapskooi en dreef vervolgens de schapen naar binnen om dan met zijn motor de zandweg af te stuiven. Zo’n kudde, het is een schilderachtig tafereel en als je zo’n gezang 14 zingt: ‘De Heer is mijn herder! ‘k Heb al wat mij lust’, dan ben je geneigd om het ook allemaal zo te gaan zien; de werkelijkheid was voor de herders van toen wel een andere. Luister maar eens wat Jacob in Genesis over dat herderschap zegt, als hij twintig jaren de kudde van zijn schoonvader Laban had geweid. ‘Ja, wel twintig jaren ben ik bij u geweest, uw ooien en uw geiten hebben niet verkeerd geworpen en van uw bokken heb ik er niet één gegeten. Als een schaap, door een wild dier werd verscheurd heb ik het niet naar u toegebracht, maar heb ik het zelf vervangen. Ja, zo verging het mij; bij dag leed ik onder de hitte, bij nacht leed ik aan de kou, en geen slaap kwam in mijn ogen!’ En dan wat David zegt over zijn herderstijd: ‘Als er een leeuw kwam of een beer die een dier uit de kudde roofde, dan liep ik hem na en versloeg hem en rukte het schaap uit zijn bek, leeuwen en beren heeft uw knecht voor u geveld!’

Een herder moest zijn kudde verdedigen, bij dag en nacht, bij weer en wind, niet zoals de herders in onze tijd, die zo’n beetje achter hun kudde aansukkelen, al dan niet met walkman in en bij zonsondergang met de benen op de bank voor de tv. met een borrel in slaap vallen.

De herders van toen; bij Samuel lezen wij over aantallen: duizend geiten en drieduizend schapen. ‘Zij hadden hun schaapjes geteld, zingen we blijkbaar niet voor niets!’

En van Jacob weten we dat hij elk geroofd dier uit eigen middelen moest terug betalen, en over David staat dat hij het geroofde dier tussen de tanden van de leeuw weghaalde.

En onze herders fluiten naar de hond en roepen ‘braaf en af en zo’. ‘Ja, die heeft zijn schaapjes wel op het droge!’ Maar er zijn ook mooie beelden over het leven der herders: het Hooglied, waar over het gebit van een bruid wordt gezegd: ‘Ja, mijn beminde, uw tanden zijn als een kudde schapen die geschoren zijn!’ En anders psalm 114 wel: ‘De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren!’ Maar dan wordt de mens Ezechiël geroepen om in duistere uren als herder leiding te geven aan een talrijk volk; de geroepenheid van een man om bij het volk, de naam van ‘God!’ te noemen – In woord en daad. De Eeuwige te benoemen. Profeteer dan toch mensenkind, profeteer mensenkind!; zo riep God tot Zijn kind Ezechiël. En dat geloofsvertrouwen waarin Ezechiël zijn volk is voorgegaan, heeft een verstrooide kudde steeds nieuwe hoop gegeven, de eeuwen door.

In de geschiedenis zou er nog één volgen die Zijn leven voor de schapen wilde geven en dat ook deed!’ En dan komt ons een beeld voor ogen van iemand terwijl een brullende menigte Hem voortjoeg. En die is gezeten op een troon, later want Zijn koninkrijk is immers niet van onze wereld. Die zich één maakt met de geringe, de naamlozen, ik denk dan zomer 2018 in het bijzonder aan vluchtelingen die de kust niet hebben gehaald. Waarvan paus Franciscus uitkijkend over de zee bij Lampedussa aan de wereld vroeg: ‘Wie heeft er over hen geweend?’ In 1504 schilderde de meester van Alkmaar de zeven werken van barmhartigheid,

het hangt in de kelder van het Rijksmuseum. Op alle zeven panelen kijkt Jezus niet naar de toeschouwer die u – al dan niet met museumjaarkaart – bent. Dan staat hij verstopt tussen het publiek, als zieken en gevangenen worden bezocht, als kleding en bekers drinken uitgedeeld worden. Alleen op het eerste tafereel, daar waar brood wordt uitgedeeld aan de behoeftigen, daar kijkt de Goede Herder u aan. De gedachte is natuurlijk, wat Ik kan, dat kun jij ook. God spreekt nog tot Zijn kinderen, als we de geestelijke pluggetjes uitdoen zullen wij verstaanders worden.

 

Theo van der Sman – em. pastoor